TNO geeft 3 vergroeningsopties voor topsectorenbeleid

TNO heeft de Rijksoverheid 3 vergroeningsopties gepresenteerd voor het topsectorenbeleid. Er is vanuit overheid en samenleving de wens om het topsectorenbeleid zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij maatschappelijke opgaven, waaronder vergroening. Met een breed ingestoken inventarisatie van milieu-ambities in de topsectoren levert TNO een bijdrage aan het denken hierover.

De inventarisatie biedt volgens TNO een handelingsperspectief voor politici en beleidsmakers gericht op de mogelijkheden voor (meer) groene sturing. De studie is uitgevoerd in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

De eerste optie voor meer sturing in de richting van vergroening is het zichtbaar en inzichtelijk maken van de huidige (beoogde) bijdragen aan vergroening. De topsectoren hanteren op dit moment geen eenduidige ‘taal’ voor het benoemen van groene ambities. Bovendien zijn de ambities die er zijn niet concreet genoeg uitgewerkt om de uiteindelijke eco-impact te kunnen inschatten. Dit maakt het onmogelijk om een kwantitatieve inschatting te maken van de bijdrage van het topsectorenbeleid aan de Vergroeningsagenda.

Een tweede optie voor additionele sturing in de richting van vergroening is de optimale benutting van cross-sectorale mogelijkheden. Vergroening is in veel gevallen niet een-op-een gebonden aan een topsector. Denk bijvoorbeeld aan de koppeling tussen nano-materialen en zonnepanelen.

De derde sturingsoptie is het veranderen van het topsectorenbeleid, zodanig dat vergroening top-down, via gerichte doelstellingen, wordt voorgeschreven. Dit betekent dat de topsectoren die nu bottom-up worden aangestuurd meer in lijn worden gebracht met de aanpak die nu voor ‘energie’ en ‘logistiek’ wordt gevolgd. Deze optie geeft de kans om langetermijndoelen voor vermindering van milieudruk te verbinden met de meer kortetermijn-innovatieagenda waar de industrie in het kader van topsectorenbeleid veelal op aanstuurt. Deze optie is vooral relevant voor dat deel van de innovatieactiviteiten dat ‘volwassen’ genoeg is voor toepassing in de praktijk.